Ik werk, dus ik besta


Artikel


Door

Alice Lammerts van Bueren

Vorig jaar ging het woord “anderhalvemetersamenleving” met 29,8% van de stemmen de geschiedenis in als hét Van Dale Woord van het Jaar 2020. “Fabeltjesfuik” en “viruswappie” werden respectievelijk tweede en derde. Niet onverwacht leidde het coronavirus tot heel wat taalinspiratie en dat is te merken aan de lijst.

Zouden we een paar jaar terug nog erg geschrokken zijn van met name de winnaar, in de realiteit rondom de pandemie was deze niet meer dan een logisch gevolg. Wanneer ik er zo doorheen lees, valt het me überhaupt op dat de winnaars van de afgelopen jaren bijna allemaal in meer of mindere mate een negatieve bijklank of ondertoon hebben:

  • boomer (2019)
  • blokkeerfries (2018)
  • appongeluk (2017)
  • treitervlogger (2016)
  • sjoemelsoftware (2015)
  • dagobertducktaks (2014)
  • selfie (2013)
  • project X-feest (2012)
  • tuigdorp (2011)
  • gedoogregering (2010)
  • ontvrienden (2009)
  • swaffelen (2008)
  • bokitoproof (2007)

Nieuwe woorden als uiting van tijdgeest

Niet echt woorden waar we trots op kunnen zijn of blij van worden. En toch fascineren de winnaars mij wel: het valt niet te ontkennen dat ze duiding geven aan de tijdgeest. Tja… voel je ‘m al aankomen? Pijnlijk! Want stel je voor: je zit (ooit) tegenover je kleinkinderen die nietsvermoedend vragen naar hoe de 21e eeuw ooit begon. Je bent blij met hun interesse en wilt ze ook nog iets “meegeven”. Een verhaal over hoe je generatiegenoten uit het tuigdorp swaffelend selfies stonden te maken op een project-X-feest in een bokitoproof loods zal wel grote ogen opleveren, maar geen hoge ogen gooien. Armoe troef.

Ik houd van taal en vind het toevoegen van dit type woorden aan de Van Dale onze taal verschralen. Wat mij daarbij op- en tegenvalt is dat politici, opiniemakers en andere influencers geen tegengeluid laten horen en zich beperken tot politiek correct gedrag. Ik begrijp heus wel dat taal iets van ons allen is, levend is en evolueert. De grondgedachte dat zij uit ons allen dient voort te komen klinkt prachtig, maar is niet zonder gevolgen. Het ene woord wordt daarmee nog “gekker”, “grappiger” of “origineler” dan het andere, totdat er alleen nog maar te kiezen valt uit -mijns inziens- monsterlijke gedrochten. En hop, weer een foeilelijk woord in het Woordenboek des Vaderlands.

Werkisme

Maar heel soms duikt er ineens een nieuw woord op dat je aandacht pakt en in je hoofd blijft hangen. Zo introduceerde journalist Derek Thompson een tijdje geleden in het Amerikaanse tijdschrift The Atlantic het woord “workism”, vertaald: “werkisme”. Zeker in het Nederlands qua klank geen beauty, maar net als vele woorden eindigend op -isme eentje met grote impact. Werkisme is een overtuiging dat iemands werk niet alleen een economisch noodzakelijke activiteit is, maar tevens een essentieel onderdeel van zijn identiteit en levensdoel vormt.¹ Ben Tiggelaar omschreef het pakkender in het NRC als “een god die voortdurend nieuwe offers vraagt en je uiteindelijk gewoon in de steek laat. Wanneer je ontslagen wordt, een burn-out krijgt of met pensioen gaat”. Om er nog even fijntjes aan toe te voegen “Dan ben je niet langer je werk, maar gewoon weer jezelf. En voor veel mensen -ik loop het risico één van hen te zijn- is dat niet genoeg.” Nu begrijp je waarom het woord bij mij bleef hangen.

De link met het geloof kwam niet uit Bens koker: ook Thompson trok de vergelijking en vond daarin tevens een verklaring. “De terugloop van het traditionele geloof heeft geleid tot een explosie aan nieuwe atheïsmes. Sommige mensen aanbidden schoonheid, sommigen politieke identiteit en anderen aanbidden hun kinderen. Maar iedereen aanbidt iets. En “werkisme” is één van de meest krachtige nieuwe religies”.

Toen men ambitie nog bedreigend vond

Wij hebben ambitie tegenwoordig zo hoog in het vaandel staan, dat we ons niet meer voor kunnen stellen dat de term lange tijd een negatieve connotatie had. Het woord “ambitie” komt van het Latijnse “ambitio", dat “eerzuchtig zijn”, “het dingen naar een ambt” of “streven” betekent. Reeds bij de Romeinen had ambitio (het rondgaan bij mensen om stemmen te ronselen) een negatieve bijklank. Er werden zelfs aanklachten ingediend tegen politici die ervan werden beschuldigd te veel ambitio aan de dag te hebben gelegd (i.e. ongeoorloofde kiespraktijken). Met de opkomst van het christendom werd nederigheid naar voren geschoven als na te streven deugd en zelfzuchtige ambitie afgewezen.

Met de renaissance kwam ambitio terug in de belangstelling te staan, onder meer door het werk van Niccolò Machiavelli, waarin hij ambitie behandelde en oordeelde dat deze eigenschap - mits gebruikt voor de juiste doeleinden - wenselijk kon zijn. Ingezet voor de verkeerde doeleinden, werd ambitie echter geduid als de oorzaak van oorlog, corruptie en rebellie- kortom, als één van de voornaamste bedreigingen van politieke en maatschappelijke stabiliteit.²

Pas vanaf de zeventiende eeuw ontstond het idee dat er zonder ambitie, hoewel nog steeds eerder een zonde dan een deugd, weinig vooruitgang geboekt zou zijn. Maar de link met zonde verloor het begrip nooit helemaal: het werd op z’n best een double-edged sword dat grootste daden kon voortbrengen, maar ook opportunisme en immoreel gedrag.ᶟ

In de eeuwen die volgden zorgden de industriële revolutie en economische groei ervoor dat het kapitalisme langzaamaan tevoorschijn kwam en daarmee een andere perceptie van het woord ambitie in schwung bracht.

Een 15-urige werkweek als ideaal

Met het herdefiniëren van de ambitio deed ook een zeker geloof in een maakbare samenleving zijn intrede. In het allerminst gezegende jaar 1930, volop Grote Depressie, slaagde de econoom John Keynes erin een extreem optimistisch essay te schrijven. “Economic Possibilities for our Grandchildren” was niets minder dan een voorspelling van het paradijs op aarde. Keynes geloofde in een rooskleurige toekomst voor zijn nakomelingen. Bovendien hielden zijn argumenten steek. Hij ontleedde de determinanten van economische groei, zag dat de opkomst van de robotica enorme efficiëntiewinsten mogelijk maakte, kende als geen ander de ijzeren wet van de samengestelde intrest, en trok zijn besluit: over 100 jaar, tegen 2030 dus, zou de mensheid zwemmen in weelde en overvloed. Men zou nog 15 uur per week moeten werken. Vermoeiende en saaie levensdoelen zoals sparen zouden plaatsgemaakt hebben voor “de kunst van het leven”: vrije tijd, poëzie, schone kunsten, spelevaren. Ahum.⁴

En nu?

Inmiddels is de welvaart bereikt, maar van een 15-urige werkweek is voor weinigen sprake. Oorzaak: wij hebben de prestatiemaatschappij ruim baan gegeven. Werden de regels en eisen omtrent werk een generatie terug nog opgelegd van buitenaf: door een baas en een baan, tegenwoordig draait alles om “project, initiatief en motivatie” -met als gevolg dat er veel harder gewerkt wordt dan in de commandosamenleving. “Excessief werken en presteren verharden zich zelfs tot zelfuitbuiting”, aldus de Duits-Koreaanse filosoof Byung-Chul Han in zijn essay “De vermoeide samenleving” (2010). “En die is efficiënter dan uitbuiting door een ander, omdat ze gepaard gaat met een gevoel van vrijheid. De uitbuiter is tegelijk de uitgebuite.”

De Millenial als ultieme toegewijde gelovige doet volgen

Terug naar Thompson. Hij stelt dat vooral onder hoogopgeleide Millennials werk het nieuwe geloof is. “Zij zijn opgegroeid in de jaren negentig, waarin het neo-liberalisme opkwam. Internet, yuppies- een tijd doordrenkt van “werkisme”. Millenials zijn opgevoed als “zelf-optimalisatiemachines”.” Social media zouden hierbij de vaart erin houden, omdat ze dienst doen als essentieel scorebord in de race naar succes.

Maar allemaal willen we mee blijven doen. Of we nu Millenial zijn of niet. We willen ertoe doen; blijven tellen; gezien en gehoord worden. En dus bezingen we in koor de harde werker, de gedreven, gepassioneerde, ambitieuze presteerder.ᶟ Deze houding heeft een tweetal verregaande consequenties. Aan de ene kant heeft een onontkoombare kwantificering van het leven plaatsgevonden: alles wordt immers gevat in lijstjes, rankings, peilingen en statistieken. Wat niet meetbaar is, telt minder of zelfs niet mee. Laten daar nu juist niet zelden cruciale onderdelen van het leven onder vallen. Gevolg hiervan is een zekere uitholling van onze ambities. “Toewijding om de toewijding”, zeg maar. De “drive” mist richting.

Aan de andere kant treft de grootste consequentie van de prestatiesamenleving degenen voor wie de ratrace niet is weggelegd, die het niet volhouden om te blijven dingen naar een mooie plaats op de ranking. Opnieuw laat Byung-Chul Han zich niet onbetuigd: “Zelfdiscipline is fataler dan gedisciplineerd worden door een ander, omdat verzet tegen jezelf onmogelijk is. Iedereen krijgt de vrijheid, maar daarmee ook de plicht: de plicht om optimaal te presteren. Wie faalt heeft dat dan ook aan zichzelf te wijten, het is zijn eigen schuld en met die schuld moet hij maar zien te leven.” Een zwart beeld als afspiegeling van onze houding ten opzichte van werk en ambitie.

Leren rusten midden in de chaos

Toen kwam Corona. En kon productiviteit niet zondermeer op de eerste plaats blijven staan. We werden uit onze dagelijkse routine gehaald en kwamen er massaal achter dat onze levensstijl, die -let's be honest- in te hoge mate draait om werken, geld en consumeren, aan meerdere kanten begint te wringen.⁵ Steeds meer horen we om ons heen dat het leven zelf weer centraal moet komen te staan, wellicht zelfs wel een “leren leven met het/een virus”. Wanneer dit ons toekomstbeeld wordt, kunnen we maar beter andere speerpunten gaan zoeken. Speerpunten die getuigen van evenwicht tussen de verdiensten door werken en het leven zelf, evenwicht tussen resultaat en voldoening, evenwicht tussen werken en rust. Werken kan daarbij van zijn sokkel worden gehaald en teruggebracht worden tot wat het vóór de doorgeslagen prestatiemaatschappij was: werk biedt ons inkomen, doelen, structuur en een groot deel van onze dagelijkse sociale contacten. Dat is mooi genoeg, want hiermee wordt het door velen nog steeds als basisbehoefte beschouwd. Alleen de aanbidding mag eraf.

Al een tijdje voelen Frans en ik een verschuiving in focus bij onze kandidaten en mijn verwachting is dat deze steeds absoluter zal gaan worden. Was “meer maatschappelijke relevantie” het afgelopen jaar al één van de meest gebezigde wensen, ik denk dat de gewenste voldoening niet meer alleen de inhoud maar ook de werkwijze zal dienen te betreffen. Werk dus dat niet alleen bij je past vanwege de dienst/het product dat geleverd wordt, maar ook voelt als een warme jas, omdat je past bij de organisatie en de Board met wie je werkt, je complementair bent aan de mensen met wie je dagelijks schakelt, je je senang voelt bij de couleur locale, je in alle opzichten jezelf kunt zijn én je inbreng hebt in hoe je je werkende leven vormgeeft.

Die wens wordt meer en meer wederzijds. Ook onze opdrachtgevers beseffen steeds meer dat het vinden van de juiste bestuurssecretaris geen kwestie is van louter kwaliteiten, maar tevens van persoonlijkheid. Steeds vaker mogen we op zoek naar iemand die een aanvulling vormt, met wie een vertrouwensband opgebouwd kan worden, in wie men een sparringpartner vindt. Exact dit maakt ons werk zo interessant. Door goed te luisteren, te bevragen, mee te denken en te adviseren verzetten we ons hiermee samen tegen de "toewijding om de toewijding". Daar is (gerichte) toewijding namelijk veel te waardevol voor.

Bronvermelding

Met speciale dank aan Lynn Berger, in mijn ogen begenadigd journalist en schrijfster voor het onvolprezen journalistiek platform de Correspondent. Ik heb veelal (niet zelden letterlijk) uit onderstaand artikel geput.

  • ¹ Taalbank.nl
  • ² William Casey King in Ambition: A History (2013)
  • ᶟ L. Berger, In onze prestatiemaatschappij is iedereen een marathonloper (maar waar rennen we heen?), de Correspondent, 2015
  • ⁴ P. Huylenbroeck, Keynes geloofde in een 15 urige werkweek, vrijheidmaaktarbeid.nl
  • ⁵ C. van Berkel, Werkisme, OR-online.nl
  • ⁶ Martin Bril

De perfecte match voor uw organisatie